Ik wilde zo graag horen bij

Mijn zussen die ruzieden

Mijn broer die speelde op straat met andere broers

De paardrijmeisjes, die altijd met zijn vieren opereerden en van wie de bakkersdochter de spil was, van die bakker die brood bakte in de oorlog voor de Duitsers en waar wij dus nooit brood kochten. De bakkersdochter met haar glimlach die breder werd als de mijne smaller werd tot mijn mond openging om te schreeuwen, er water uit mijn ogen stroomde en zij harder ging lachen.

De turnmeisjes van wie de pakjes altijd precies goed zaten en die geen buik hadden of te dikke benen, die een perfecte radslag konden doen en niet, zoals ik, een halve niet durfde afmaken en die moeiteloos een boswaartsom over de lage legger konden doen, alsof dat altijd maar vanzelf ging en die niet, door drie mensen geholpen een salto moesten forceren om uiteindelijk toch nog plat op de trampoline te vallen. Die soms zelfs een split konden of een spagaat, ze vielen er gewoon in, zonder enige moeite en daar stond dan de hele klas omheen en die keken dan hun ogen uit en dat meisje zat daar maar zonder enige uitdrukking op haar gezicht tussen die twee uitgestrekte benen.

The partridge family, omdat ik verliefd was op David Cassidy en omdat ze met de hele familie muziek maakten aan het einde van iedere aflevering, het moment waar ik naar uitkeek.

De meisjes die rookten voor het schoolplein, die van Pink Floyd en Deep Purple hielden, namen die ze in stift op hun etui hadden gezet, namen waarvan ik het bestaan nog niet eens kende, maar wiens platen mijn moeder moest gaan kopen bij V&D.

De meisjes die tijdens tekenles vertelden over dat ze al met jongens hadden getongzoend of het al hadden gedaan. Ik vond ze vaak niet eens knap en dat begreep ik niet, dat je niet knap hoefde te zijn en dat die jongens het dan toch gewoon maar met je wilden doen.

De leerlingen die tekenen voor hun eindexamenvak hadden gedaan en die dingen maakte die ik ook wel gemaakt had willen hebben. Een meisje had precies een pakje sinaasappelsap nagetekend. Ik had nog nooit zoiets gezien en zelfs niet bedacht en ik was jaloers omdat ik nooit zoiets zou kunnen bedenken, maar dat ik zoiets wel bedacht zou kunnen hebben als ik tekenen als eindexamenvak had gekozen.

De mensen met wie ik op theaterkinderkamp was gegaan en met wie ik op een kamer sliep en die zeiden dat ze hun warme vriendje misten om tegenaan te liggen. Ik had geen vriendje en had nog nooit tegen iemand aangelegen.

De mensen van theaterkinderkamp met gebreide truien die slobberden over wijde broeken, met opgeschoren haren, die het helemaal te gek vonden om de hele dag met kinderen door een hal in Steenwijk te banjeren en een toneelstuk met ze te maken. En dat de hele week, vijf dagen lang. Ik ben na een dag naar huis gegaan.

De mensen van de mentorgroep op de Mikojel, mijn eerste studie, onder leiding van een leernicht, maar dat leer droeg hij alleen in zijn vrije tijd, bij ons had hij gebreide truien aan, waarschijnlijk zelfgebreid, die wekelijks met elkaar praatten over hun ervaringen. Ik begreep de bedoeling van deze gesprekken niet en dacht dat ik iets wezenlijks moest delen. Toen ik vertelde hoe onzeker ik was, werd me gezegd dat ik mijn onzekerheid als wapen gebruikte.

De Z-verpleegkundigen, die precies wisten hoe ze tegelijk een zieke bewoner, een bewoner die naar de dokter moest, een bewoner die zichzelf verwondde moesten begeleiden en ondertussen nog het eten op konden scheppen en uitkeken dat er geen pan soep over de tafel werd gejast door het kleine valse Downmeisje. Ik moest veranderen vonden de leraren. Ik was dominant zeiden ze. En niet geschikt. Ik moet helemaal niks zei ik.

De hetero’s die flirtten en elkaar versierden alsof het allemaal maar vanzelf ging

De lesbiennes die elkaar omarmden alsof ze familie waren en met elkaar kijfden als zusters

De biseksuelen, die ik niet begreep, want waarom zou je iets onbenoembaars willen benoemen?

De journalisten die verhalen en invalshoeken bedachten en zich kritisch uitlieten over alles, omdat kritisch zijn nu eenmaal hun vak is, zodat ze soms ook kritisch waren als ze iets eigenlijk heel mooi vonden of ontroerend of als ze er niks van vonden, omdat het zo hoorde.

De collega’s

De collega’s die al grote kinderen of nog niet zulke grote kinderen hadden en niet gescheiden waren maar die toch nog flink aan de zuip gingen en met een kater op de zaak kwamen. Moest kunnen.

De collega’s die op vakantie gingen met hun kinderen naast het krat levensmiddelen op de achterbank en die dan gingen kamperen in Frankrijk en abseilen en tokkelen en meer van die griezelige dingen met zijn gingen doen. Of naakt gingen kamperen en andere collega’s tegenkwamen en daar dan over zwegen als ze weer op het werk waren.

De collega’s die altijd zeiden wat ze vonden en nooit ruzie kregen met de baas, omdat die baas hun geen reet interesseerde en hun collega’s ook niet.

De collega’s die heel erg druk over de gang liepen en klaagden dat ze het zo druk hadden, maar als je het echt tegen het licht hield er niks uit hun handen kwam, maar dat viel echt niemand op, want hun bek was altijd groter dan datgene wat ze deden.

De collega’s die strak gekleed gingen in pak en mantelpak, zie de vorige soort

De ouders die zeiden dat ze nu pas snapten hoe ouders zich voelen als ze een kind verliezen omdat ze nu zelf kinderen hadden.

De ouders die klaagden dat ze nooit meer seks hadden of die klaagden dat ze nooit meer aan zichzelf toekwamen.

De autobezitters die klaagden over hun te dure APK en die het heerlijk vonden om een stukje te gaan rijden, gewoon omdat ze van autorijden hielden.

De kunstenaars, die niet klaagden, maar gewoon door bleven werken en zichzelf en hun werk serieus bleven nemen met een goed verhaal en voldoende verdieping

De docenten, die hun werk met hart en ziel deden en niet overspannen raakten

De mooie meisjes die columns schreven en artikeltjes voor de Happinez en de Flow over je hart volgen en loslaten. En die reizen naar India maakten en daar de stilte in zichzelf ontdekten, tenminste dat schreven ze, maar een paar nummers zich weer in Peru ontdekten.

De opiniemakers met heel veel volgers op Twitter met namen als Claudia, Bert en Sywert, die iets vinden en dat dan zeggen en waar mensen dan weer op reageren en ook iets vinden en dat weer zeggen. Maar zij zijn er eerst en het is de bedoeling dat zij ook het eerst iets zeggen.

De schrijvers, die hard werkten, op zichzelf reflecteerden, zichzelf serieus namen en net zolang doorschreven tot ze zeiden wat ze wilden zeggen. En toen weer opnieuw begonnen.

tekening bij verhaal Huis van Duif