Een vreemd soort huid

De bomen zijn hier anders groen: Gifgroen. Spuitbusgroen. Namaakgroen. “Dat heb je met beuken. De kleur lijkt metallic, maar eigenlijk zijn het de algen die je ziet”, zegt mijn tuinman. De stam heeft geen schors, maar een gladde bast, goed om namen in te krassen. Met mijn ogen op de stam zie ik hem: een leguaan, met een huid gerangschikt in kleine ruitjes. Zijn vel is een kleed dat hij heeft aangetrokken, geen huid. Een schild, een harnas van felgroen fluweel. Zo houd hij binnen binnen en buiten buiten. Dat zou ik ook wel willen. Op zijn schildpadkop zit een tooi van krammen, onder zijn kin een krop vol kartelschubben. Zijn ogen kijken niet. Ze zien. Zijn huid opent niet, maar dicht. Ik ben jaloers op dat groen dat zo glinstert dat het mijn ogen zacht maakt en op die huid die zo vanzelfsprekend sluit.

Het liep van mijn kin tot mijn heupen. Om mijn nek zat een metalen beugel met een plastic steun om mijn hoofd omhoog te houden. Ik was vijftien en werd rechtop gezet. Aan de voorkant liep een stang tot net onder mijn borstbeen en op mijn rug liepen er twee tot net onder mijn ribbenboog. De stangen waren bekleed met leer, om het staal te verzachten. Onder mijn borsten begon het korset. Van buiten was het van hard plastic, van binnen was het van schuimrubber. Het was niet zacht, want het was dikker op de plekken waar het mijn wervelkolom corrigeerde. Terug in het lood. Buigen kon ik niet. Alleen recht naar voren, maar dan drukten de randen scherp in mijn bovenbenen en dat deed zeer. Een uur per dag mocht het uit. Dan trok ik de kunststof baleinen los uit de klemmen. Het witte ribbelhemdje werd van warmnat koudnat en ik voelde de jeuk en de deuken in mijn zij. Mijn vel schrok eerst en moest wennen. Het reageerde op het duwen en hield zich nog even in gevangenenstand. Kort daarna:”Is het echt zo? Ben ik weer huid? Mag ik al hangen?”

Tekening bij verhaal Een vreemd soort huid, www.huisvanduif.nl